Abstract
In de herfst van 2016 heeft de Hoge Raad een aantal belangwekkende arresten inzake de staatsimmuniteit van executie gewezen,1 waarin hij met name het vermoeden bevestigt dat de vreemde staat immuniteit geniet in zowel executoriale als conservatoire beslagprocedures. De schuldeiser kan dit vermoeden weerleggen door te bewijzen dat de beoogde beslagobjecten gebruikt worden of bestemd zijn voor andere dan publieke doeleinden.2 Een en ander doet de vraag rijzen in hoeverre de schuldeiser de volgens de Hoge Raad op hem rustende stelplicht en bewijslast kan effectueren, en bijgevolg in hoeverre hij nog executiemaatregelen kan nemen ten aanzien van goederen van vreemde staten.
In deze bijdrage situeer ik de arresten van de Hoge Raad in een internationaalrechtelijke context (paragraaf 1). Vervolgens voer ik aan dat de Hoge Raad de op de schuldeiser rustende stelplicht praktisch werkbaar heeft willen houden teneinde de bescherming die de restrictieve immuniteitsleer aan de schuldeiser hoort te bieden niet illusoir te maken (paragraaf 2). Ik argumenteer vervolgens dat de schuldeiser in het kader van de herfstarresten ermee kan volstaan aannemelijk te maken dat de onmiddellijke bestemming of het onmiddellijke gebruik van de opbrengsten uit de schuldvordering niet-publiek of niet-soeverein van aard zijn (paragraaf 3). Ten slotte argumenteer ik dat de algemene gewoonterechtelijke regels inzake staatsimmuniteit niet onverkort gelden voor een bijzondere categorie van executieprocedures, namelijk deze die betrekking hebben op arbitrale vonnissen. Door met arbitrage in te stemmen wordt de betrokken vreemde staat geacht afstand te hebben gedaan van de immuniteit waarop hij eventueel recht heeft (paragraaf 4). Ik concludeer ten slotte dat de Hoge Raad de deur niet volledig heeft dichtgedaan voor schuldeisers die beogen beslag te leggen op goederen van vreemde staten (paragraaf 5).
Methodologisch is mijn betoog gebaseerd op een analyse van de relevante staatspraktijk, waarop de internationaal-gewoonterechtelijke immuniteit van executie is gebaseerd. Ik baseer mij daarbij met name op buitenlandse rechtspraak waar vergelijkbare kwesties zijn gerezen.
In deze bijdrage situeer ik de arresten van de Hoge Raad in een internationaalrechtelijke context (paragraaf 1). Vervolgens voer ik aan dat de Hoge Raad de op de schuldeiser rustende stelplicht praktisch werkbaar heeft willen houden teneinde de bescherming die de restrictieve immuniteitsleer aan de schuldeiser hoort te bieden niet illusoir te maken (paragraaf 2). Ik argumenteer vervolgens dat de schuldeiser in het kader van de herfstarresten ermee kan volstaan aannemelijk te maken dat de onmiddellijke bestemming of het onmiddellijke gebruik van de opbrengsten uit de schuldvordering niet-publiek of niet-soeverein van aard zijn (paragraaf 3). Ten slotte argumenteer ik dat de algemene gewoonterechtelijke regels inzake staatsimmuniteit niet onverkort gelden voor een bijzondere categorie van executieprocedures, namelijk deze die betrekking hebben op arbitrale vonnissen. Door met arbitrage in te stemmen wordt de betrokken vreemde staat geacht afstand te hebben gedaan van de immuniteit waarop hij eventueel recht heeft (paragraaf 4). Ik concludeer ten slotte dat de Hoge Raad de deur niet volledig heeft dichtgedaan voor schuldeisers die beogen beslag te leggen op goederen van vreemde staten (paragraaf 5).
Methodologisch is mijn betoog gebaseerd op een analyse van de relevante staatspraktijk, waarop de internationaal-gewoonterechtelijke immuniteit van executie is gebaseerd. Ik baseer mij daarbij met name op buitenlandse rechtspraak waar vergelijkbare kwesties zijn gerezen.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Pages (from-to) | 111-118 |
| Number of pages | 8 |
| Journal | Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging |
| Volume | 25 |
| Issue number | 3 |
| DOIs | |
| Publication status | Published - 2017 |
Keywords
- Staatsimmuniteit
- Executie
- Beslag
- Hoge Raad
- Internationaal gewoonterecht