Abstract
Deze bijdrage gaat uit van het geval dat een Nederlandse vennootschap in Nederland failliet wordt verklaard
en de ingevolge art. 2:138/2:248 BW voor het boedeltekort aansprakelijke bestuurder een buitenlandse
rechtspersoon is. De centrale vraag is welk recht de
doorbraak (in de zin van art. 2:11 BW) naar de aansprakelijkheid van de bestuurders van deze buitenlandse rechtspersoon-bestuurder beheerst. Volgens
de heersende leer is dit het incorporatierecht van de
besturende buitenlandse rechtspersoon-bestuurder.
In afwijking van de heersende leer beargumenteert
de auteur dat op de doorbraakvraag de lex concursus
c.q. Nederlands recht van toepassing zou moeten zijn.
en de ingevolge art. 2:138/2:248 BW voor het boedeltekort aansprakelijke bestuurder een buitenlandse
rechtspersoon is. De centrale vraag is welk recht de
doorbraak (in de zin van art. 2:11 BW) naar de aansprakelijkheid van de bestuurders van deze buitenlandse rechtspersoon-bestuurder beheerst. Volgens
de heersende leer is dit het incorporatierecht van de
besturende buitenlandse rechtspersoon-bestuurder.
In afwijking van de heersende leer beargumenteert
de auteur dat op de doorbraakvraag de lex concursus
c.q. Nederlands recht van toepassing zou moeten zijn.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Article number | 27 |
| Pages (from-to) | 166-176 |
| Number of pages | 11 |
| Journal | Tijdschrift voor Insolventierecht |
| Volume | 2018 |
| Issue number | 4 |
| Publication status | Published - 2018 |