Abstract
Het cassatiemiddel berust – in navolging van het gevoerde verweer – op de opvatting dat de enkele aangevoerde omstandigheid dat de verdachte, voorafgaand aan de dagvaarding in eerste aanleg, een schikking heeft getroffen met het college van de gemeente waarbij het in verband met de socialeverzekeringsfraude door de verdachte te betalen terugvorderingsbedrag is bijgesteld tot € 21.000 grond oplevert voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Die opvatting is onjuist omdat bij de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie in strijd met de Aanwijzing tot vervolging is overgegaan, het bedrag aan ‘nadeel’ in de zin van de Aanwijzing beslissend is. Nu het verweer daarover niets inhoudt, heeft het hof dat verweer toereikend gemotiveerd verworpen, nog daargelaten dat uit het aangevoerde niet zonder meer kan volgen dat het Openbaar Ministerie ten tijde van de vervolgingsbeslissing bekend was met de schikking en het daarin vastgestelde terugvorderingsbedrag.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Pages (from-to) | 65-69 |
| Number of pages | 5 |
| Journal | De Gemeentestem |
| Volume | 7554 |
| Publication status | Published - Apr 2023 |
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver