Abstract
Dit rapport beschrijft de startmeting van de evaluatie van de pilot Tweetalig Primair
Onderwijs (tpo). De evaluatie geeft antwoord op de vraag op welke wijze wordt
vormgegeven aan tpo en wat het effect van tpo is op de Engelse en Nederlandse taalvaardigheid.
Na deze startmeting in groep 1 kent het onderzoek nog twee vervolgmetingen in
groep 3 (2017) en groep 5 (2019). Deze eerste rapportage is vooral beschrijvend van
aard. In toekomstige rapportages zal verder worden ingegaan op de vaardigheidsontwikkeling
van leerlingen en het effect van tpo hierop.
Naast twaalf tpo-scholen namen als controlegroep twaalf vvto- scholen (vroeg
vreemde talenonderwijs Engels) deel en negen scholen zonder enigerlei vorm van
vvto, die we eibo-scholen noemen (Engels in het basisonderwijs vanaf groep 7). Bij
de startmeting is informatie verzameld op leerling-, ouder-, leerkracht- en lesniveau.
Groep 1 leerlingen zijn getest op hun receptieve woordenschat en receptieve grammatica
Engels; voor het Nederlands en rekenen zijn Cito-LOVS-toetsgegevens verzameld.
Ouders hebben een vragenlijst ingevuld en leerkrachten zijn getest op hun
Engelse taalvaardigheid, geïnterviewd en geobserveerd in een Engelse les.
Vormgeving tpo
Op de twaalf deelnemende tpo-scholen wordt tussen 25% en 50% (gemiddeld: 36%)
van de onderwijstijd Engels als voertaal gebruikt. Ter vergelijking: op de vvtoscholen
is dit gemiddeld 5% van de onderwijstijd. De helft van de tpo-scholen gebruikt
een one teacher, one language benadering (OTOL: twee leerkrachten van wie
één Engels spreekt en de andere Nederlands); vier scholen werken volgens de one
situation, one language benadering (OSOL: de leerkracht spreekt allebei de talen
maar deze worden gescheiden aangeboden); twee scholen gebruiken beide talen gedurende
de hele week als een mix (sandwichmethode).
Achtergrond en attitude leerlingen
In het algemeen zijn er zowel op de tpo-scholen als op de vvto- en eibocontrolescholen
weinig leerlingen die Engels als thuistaal hebben, met uitzondering
van enkele scholen waar dit aandeel veel hoger ligt. Ook hebben enkele scholen veel
leerlingen met een thuistaal anders dan het Nederlands of het Engels.
iv
De ouders van de tpo-leerlingen zijn over het algemeen hoogopgeleid, met aanzienlijke
variatie tussen scholen. Op de tpo-, evenals op de vvto-scholen is de attitude ten
opzichte van het tpo- respectievelijk vvto-onderwijs van alle betrokken partijen –
leerlingen, ouders, leerkrachten – positief.
Taalontwikkeling leerlingen
Tpo-leerlingen halen gemiddeld betere resultaten op receptieve woordenschat en
grammatica in het Engels dan vvto-leerlingen. Deze laatsten doen het op hun beurt –
met name op woordenschat – weer beter dan de eibo-leerlingen. De resultaten voor
Nederlands en rekenen zijn voor alle drie de groepen vergelijkbaar. Wel is er aanzienlijke
variatie tussen de afzonderlijke scholen: dit zal in het vervolg van het onderzoek
specifiek geanalyseerd worden. De prestaties van de tpo- en – in minder sterke mate –
de vvto-leerlingen in het Engels vertonen samenhang met hoeveel Engels ze op
school krijgen en met hoeveel Engelstalige activiteiten ze thuis doen.
Taalvaardigheid, attitude en didactische kenmerken leerkrachten
Er bestaan grote verschillen tussen tpo-leerkrachten in leeftijd, opleidingsachtergrond
en ervaring. Een deel van de leerkrachten is native speaker van het Engels, een deel
beschouwt zich near-native speaker, en enkele leerkrachten beschouwen zich nonnative
speakers. Volgens een zelfbeoordeling en woordenschattoets beschikken alle
leerkrachten echter over een behoorlijk tot uitstekend Engels taalvaardigheidsniveau.
Alle leerkrachten staan volledig achter tpo en hebben hier hun eigen ideeën en opvattingen
over. De opzet en vormgeving van tpo is daarom per school verschillend, maar
weloverwogen en passend bij de visie van de school. De meeste leerkrachten proberen
tijdens de Engelstalige momenten uitsluitend in het Engels te praten en schakelen
alleen bij onveilige situaties (fysiek en sociaal-emotioneel) over op het Nederlands.
De leerkrachten proberen de leerlingen zoveel mogelijk te belonen voor het gebruiken
van de Engelse taal en vooral impliciete feedback te geven op hun taalgebruik. Ze
verschillen van opvatting of leerlingen het beste Engels kunnen leren van een native
speaker.
Ondanks alle verschillende achtergronden en opvattingen waren de geobserveerde
lessen onderling vergelijkbaar: interactief, speels en aan de hand van een bepaald
thema. Verschillen tussen lessen qua didactiek, input, interactie en feedback leken
vooral het gevolg van de diversiteit aan werkvormen die gehanteerd werden tijdens de
lesobservatiemomenten.
Opvallend is dat ondanks de op het moment van dataverzameling korte duur van de
tpo-pilot, de tpo-leerlingen het nu al beter lijken te doen in het Engels dan hun vvtoen
eibo-leeftijdsgenoten. Om vast te stellen of dit daadwerkelijk zo is, zullen in het
vervolg van het FoTo-project difference-in-differences analyses uitgevoerd worden.
Op die manier kunnen we rekening houden met verschillen tussen de scholen en leerlingen én houden we rekening met het verschil in opbrengsten (taalniveau) bij de
startmeting. Hierdoor kunnen we in de volgende rapportage vaststellen of de verschillen
in de Engelse taalvaardigheid een gevolg zijn van het tpo-onderwijs.
Onderwijs (tpo). De evaluatie geeft antwoord op de vraag op welke wijze wordt
vormgegeven aan tpo en wat het effect van tpo is op de Engelse en Nederlandse taalvaardigheid.
Na deze startmeting in groep 1 kent het onderzoek nog twee vervolgmetingen in
groep 3 (2017) en groep 5 (2019). Deze eerste rapportage is vooral beschrijvend van
aard. In toekomstige rapportages zal verder worden ingegaan op de vaardigheidsontwikkeling
van leerlingen en het effect van tpo hierop.
Naast twaalf tpo-scholen namen als controlegroep twaalf vvto- scholen (vroeg
vreemde talenonderwijs Engels) deel en negen scholen zonder enigerlei vorm van
vvto, die we eibo-scholen noemen (Engels in het basisonderwijs vanaf groep 7). Bij
de startmeting is informatie verzameld op leerling-, ouder-, leerkracht- en lesniveau.
Groep 1 leerlingen zijn getest op hun receptieve woordenschat en receptieve grammatica
Engels; voor het Nederlands en rekenen zijn Cito-LOVS-toetsgegevens verzameld.
Ouders hebben een vragenlijst ingevuld en leerkrachten zijn getest op hun
Engelse taalvaardigheid, geïnterviewd en geobserveerd in een Engelse les.
Vormgeving tpo
Op de twaalf deelnemende tpo-scholen wordt tussen 25% en 50% (gemiddeld: 36%)
van de onderwijstijd Engels als voertaal gebruikt. Ter vergelijking: op de vvtoscholen
is dit gemiddeld 5% van de onderwijstijd. De helft van de tpo-scholen gebruikt
een one teacher, one language benadering (OTOL: twee leerkrachten van wie
één Engels spreekt en de andere Nederlands); vier scholen werken volgens de one
situation, one language benadering (OSOL: de leerkracht spreekt allebei de talen
maar deze worden gescheiden aangeboden); twee scholen gebruiken beide talen gedurende
de hele week als een mix (sandwichmethode).
Achtergrond en attitude leerlingen
In het algemeen zijn er zowel op de tpo-scholen als op de vvto- en eibocontrolescholen
weinig leerlingen die Engels als thuistaal hebben, met uitzondering
van enkele scholen waar dit aandeel veel hoger ligt. Ook hebben enkele scholen veel
leerlingen met een thuistaal anders dan het Nederlands of het Engels.
iv
De ouders van de tpo-leerlingen zijn over het algemeen hoogopgeleid, met aanzienlijke
variatie tussen scholen. Op de tpo-, evenals op de vvto-scholen is de attitude ten
opzichte van het tpo- respectievelijk vvto-onderwijs van alle betrokken partijen –
leerlingen, ouders, leerkrachten – positief.
Taalontwikkeling leerlingen
Tpo-leerlingen halen gemiddeld betere resultaten op receptieve woordenschat en
grammatica in het Engels dan vvto-leerlingen. Deze laatsten doen het op hun beurt –
met name op woordenschat – weer beter dan de eibo-leerlingen. De resultaten voor
Nederlands en rekenen zijn voor alle drie de groepen vergelijkbaar. Wel is er aanzienlijke
variatie tussen de afzonderlijke scholen: dit zal in het vervolg van het onderzoek
specifiek geanalyseerd worden. De prestaties van de tpo- en – in minder sterke mate –
de vvto-leerlingen in het Engels vertonen samenhang met hoeveel Engels ze op
school krijgen en met hoeveel Engelstalige activiteiten ze thuis doen.
Taalvaardigheid, attitude en didactische kenmerken leerkrachten
Er bestaan grote verschillen tussen tpo-leerkrachten in leeftijd, opleidingsachtergrond
en ervaring. Een deel van de leerkrachten is native speaker van het Engels, een deel
beschouwt zich near-native speaker, en enkele leerkrachten beschouwen zich nonnative
speakers. Volgens een zelfbeoordeling en woordenschattoets beschikken alle
leerkrachten echter over een behoorlijk tot uitstekend Engels taalvaardigheidsniveau.
Alle leerkrachten staan volledig achter tpo en hebben hier hun eigen ideeën en opvattingen
over. De opzet en vormgeving van tpo is daarom per school verschillend, maar
weloverwogen en passend bij de visie van de school. De meeste leerkrachten proberen
tijdens de Engelstalige momenten uitsluitend in het Engels te praten en schakelen
alleen bij onveilige situaties (fysiek en sociaal-emotioneel) over op het Nederlands.
De leerkrachten proberen de leerlingen zoveel mogelijk te belonen voor het gebruiken
van de Engelse taal en vooral impliciete feedback te geven op hun taalgebruik. Ze
verschillen van opvatting of leerlingen het beste Engels kunnen leren van een native
speaker.
Ondanks alle verschillende achtergronden en opvattingen waren de geobserveerde
lessen onderling vergelijkbaar: interactief, speels en aan de hand van een bepaald
thema. Verschillen tussen lessen qua didactiek, input, interactie en feedback leken
vooral het gevolg van de diversiteit aan werkvormen die gehanteerd werden tijdens de
lesobservatiemomenten.
Opvallend is dat ondanks de op het moment van dataverzameling korte duur van de
tpo-pilot, de tpo-leerlingen het nu al beter lijken te doen in het Engels dan hun vvtoen
eibo-leeftijdsgenoten. Om vast te stellen of dit daadwerkelijk zo is, zullen in het
vervolg van het FoTo-project difference-in-differences analyses uitgevoerd worden.
Op die manier kunnen we rekening houden met verschillen tussen de scholen en leerlingen én houden we rekening met het verschil in opbrengsten (taalniveau) bij de
startmeting. Hierdoor kunnen we in de volgende rapportage vaststellen of de verschillen
in de Engelse taalvaardigheid een gevolg zijn van het tpo-onderwijs.
| Translated title of the contribution | Evaluation Pilot Bilingual Primary Education: First measurement school year 2014/15 : public version |
|---|---|
| Original language | Dutch |
| Place of Publication | Nijmegen |
| Publisher | ITS Nijmegen |
| Number of pages | 109 |
| Publication status | Published - Feb 2016 |