Media contributions
1Media contributions
Title Moeten we ons zorgen maken over ons sperma Country/Territory Netherlands Date 26/02/18 Description Sinds de jaren negentig
hebben tal van tegenstrijdige
onderzoeksresultaten
twijfel
gezaaid over de
dalende spermaproductie
in het Westen.
Nieuw Israëlisch
onderzoek lijkt voor
het eerst een krachtig
antwoord te geven op
die vraag.
Door Sebastiaan van de Water
1 Is het werkelijk
zo slecht gesteld
met de spermaproductie?
We weten het niet zeker, was
lange tijd het enige wetenschappelijk
verantwoorde antwoord.
In 1992 concludeerde
een Deens onderzoek dat de
concentratie zaadcellen per
milliliter ejaculatie fors was
gedaald: van 113 miljoen in
1940 tot 66 miljoen in 1990.
Een ander Deens onderzoek,
dat de spermaconcentratie
van militaire rekruten vijftien
jaar lang in kaart bracht, trof
echter helemaal geen spermadaling
aan. Ook onderzoeken
uit Finland, Frankrijk, Italië en
de VS spraken elkaar vooral
tegen.
Recent is door een groep in
Jeruzalem een grondige metaanalyse
uitgevoerd. Zij brachten
de gegevens van 181 verschillende
onderzoeken bij
elkaar. ‘Dit is het grootste
overzichtsartikel tot dusver’,
erkent Sjoerd Repping, hoogleraar
humane voortplantingsbiologie
bij het Academisch
Medisch Centrum (AMC) in
Amsterdam. ‘Er zitten best
wat haken en ogen aan, maar
over het algemeen zijn de
bevindingen aannemelijk.’
Hoofdconclusie van de Israëlische
wetenschappers? De
spermaproductie van westerse
mannen is immens teruggevallen:
van 99 miljoen zaadcellen
per milliliter in 1973 tot
47,1 miljoen in 2011. Een afname
van 52 procent.
2 Is dit reden
voor alarm?
De Israëlische
onderzoekers zelf menen van
wel. In hun artikel wijzen zij
naar eerder aangetroffen
correlaties tussen spermahoeveelheid
en onprettige
zaken zoals teelbalkanker,
algehele sterfelijkheid en
onvruchtbaarheid. En wie zin
heeft om apocalyptisch te denken,
hoeft alleen maar de huidige
trendlijn door te trekken
naar een dreigend nulpunt.
‘Ik wil waken voor alarmisme’,
zegt Repping echter. ‘Ten eerste
gaan de onderzoekers uit
van een lineaire daling van
1,4 procent per jaar. Maar dat
is een aanname. Het kan net
zo goed zijn dat we te maken
hebben met een fluctuerende
grafiek. Ten tweede is niet
zeker of de meetmethoden nu
gelijk zijn aan die van veertig
jaar geleden. Ten slotte zijn de
consequenties voorlopig minimaal.
Een 50 procent afname
in sperma heeft beduidend
minder gevolgen voor de menselijke
vruchtbaarheid dan de
vraag of een vrouw 38 of 35
jaar oud is. Uiteindelijk hoeft
natuurlijk maar één zaadcel
van alle miljoenen de eicel te
bevruchten.’
3 Wat veroorzaakt
de vermeende
daling?
Vermoedelijk is er niet sprake
van één doorslaggevende
factor, of je zou het ‘de 21eeeuwse
levensstijl’ moeten
noemen. Overgewicht, roken,
alcohol, slaapgebrek, stress,
ondergewicht, gebrek aan
lichaamsbeweging, overmatige
lichaamsbeweging, zittend
werk, een laptop op
schoot, een telefoon in je
broekzak, gebruik van anabole
steroïden, contact met giftige
chemicaliën – voor al die factoren
bestaat minstens één
onderzoek dat een correlatie
vaststelt met verminderde
spermaproductie. Het zijn de
gezondheidsvoorschriften die
je zo vaak tegenkomt, dat elke
man ze moeiteloos weet op te
dreunen – maar niet opvolgt,
met alle gevolgen van dien.
‘Er bestaat helaas geen
medische behandeling die de
spermakwaliteit verbetert. Het
gevolg is een wrange situatie:
wanneer mannen met heel
slecht sperma kampen, gaan
we een invasieve behandeling
bij hun vrouw uitvoeren’, zegt
Repping, doelend op in-vitro
fertilisatie (ivf), waarbij in het
lab een zaadcel en eicel bij elkaar
worden gebracht om daarna
teruggeplaatst te worden in
de baarmoeder. ‘Daarom zou ik
veel mannen willen oproepen
verantwoordelijkheid te nemen
voor hun aandeel in de voortplanting:
leef gezond en begin
vooral op tijd aan kinderen.’ De
hoogleraar heeft in elk geval
recht van spreken: hij is zelf
vader van drie kinderen.
4 Ligt het alleen aan
ongezond
levende mannen?
Nee, stelt toxicoloog Majorie
van Duursen van de Universiteit
Utrecht. ‘Bekend is dat
er honderden chemicaliën
bestaan met een xeno-oestrogeen
effect. Dat wil zeggen dat
ons lichaam ze herkent en gebruikt
als waren het vrouwelijke
hormonen. Het zorgwekkende
is dat we dagelijks met
dit soort stofjes in aanraking
komen. Het betreft bijvoorbeeld
de zacht makende of
hard makende chemicaliën in
plastics, of de stofjes die zalfjes
optimaal smeerbaar maken.’
Eén zo’n stofje, bisphenol A
(BPA), leidde in experimenten
zelfs tot meer vrouwelijke fysieke
kenmerken bij mannelijke
zebravisjes. ‘Lang is gedacht dat
dergelijke stofjes bij een zwangere
vrouw de foetus niet zouden
bereiken, dat de placenta
ze er wel uit zou filteren, maar
we hebben deze chemicaliën
inmiddels teruggevonden in
menselijk navelstrengbloed’,
vertelt Van Duursen. Met andere
woorden: jongens worden al
in de baarmoeder blootgesteld
aan stoffen die de hormoonhuishouding
verstoren. Van
Duursen: ‘Dat kan permanente
effecten hebben op hun latere
spermaproductie, ongeacht
hun toekomstige levensstijl.’
5 Leidt minder
sperma tot minder
goede genen?
Stel je twee hardloopwedstrijden
voor. Aan de ene race
doen 100.000 willekeurige
atleten mee. Aan de andere
wedstrijd 1000. De kans dat de
winnaar van de eerste race
sneller is dan de winnaar van
de tweede race is aanzienlijk.
Vertalen we dit naar de voortplantingsrace
tussen zaadcellen
op weg naar de eicel, dan
geldt ook het volgende: hoe
minder zaadcellen we produceren,
hoe minder snel de uiteindelijke
kampioen zal zijn.
Maar is dat ook relevant voor
de kwaliteit van het nageslacht?
Brengt een objectief
‘betere’ zaadcel, gekenmerkt
door bijvoorbeeld een actief
bewegingspatroon en een
krachtige zweepstaart, ook
‘betere’ genen met zich mee,
die zorgen voor bijvoorbeeld
meer symmetrie, een sterk
immuunsysteem, een hoog IQ,
en minder afwijkingen?
Waarschijnlijk niet. Onderzoek
aan de Stanford University
laat zien dat elke zaadcel een
willekeurige combinatie mee
draagt van erfelijke eigenschappen
ontleend aan de
chromosomen van de ouders.
De inhoud van de ‘vracht’ staat
los van de kwaliteiten van de
‘vervoerder’. ‘Bovendien is het
idee dat we allemaal kampioenen
zijn van een race een
sprookje’, zegt Repping. ‘Het is
niet zo dat iedere keer de snelste
en allerbeste zaadcel wint.
Bevruchting wordt voor een
heel groot deel bepaald door
toeval.’ Laat dat in deze donkere
tijden een troost zijn: zolang
er bevruchting plaatsvindt, is
het goed. En als daar in de toekomst
wat meer seks met jongere
partners voor nodig is, dan
zij dat maar zo.Persons M.B.M. van Duursen