Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Moeten we ons zorgen maken over ons sperma

  • M.B.M. van Duursen

    Press/Media: Expert Comment

    Description

    Sinds de jaren negentig
    hebben tal van tegenstrijdige
    onderzoeksresultaten
    twijfel
    gezaaid over de
    dalende spermaproductie
    in het Westen.
    Nieuw Israëlisch
    onderzoek lijkt voor
    het eerst een krachtig
    antwoord te geven op
    die vraag.
    Door Sebastiaan van de Water
    1 Is het werkelijk
    zo slecht gesteld
    met de spermaproductie?
    We weten het niet zeker, was
    lange tijd het enige wetenschappelijk
    verantwoorde antwoord.
    In 1992 concludeerde
    een Deens onderzoek dat de
    concentratie zaadcellen per
    milliliter ejaculatie fors was
    gedaald: van 113 miljoen in
    1940 tot 66 miljoen in 1990.
    Een ander Deens onderzoek,
    dat de spermaconcentratie
    van militaire rekruten vijftien
    jaar lang in kaart bracht, trof
    echter helemaal geen spermadaling
    aan. Ook onderzoeken
    uit Finland, Frankrijk, Italië en
    de VS spraken elkaar vooral
    tegen.
    Recent is door een groep in
    Jeruzalem een grondige metaanalyse
    uitgevoerd. Zij brachten
    de gegevens van 181 verschillende
    onderzoeken bij
    elkaar. ‘Dit is het grootste
    overzichtsartikel tot dusver’,
    erkent Sjoerd Repping, hoogleraar
    humane voortplantingsbiologie
    bij het Academisch
    Medisch Centrum (AMC) in
    Amsterdam. ‘Er zitten best
    wat haken en ogen aan, maar
    over het algemeen zijn de
    bevindingen aannemelijk.’
    Hoofdconclusie van de Israëlische
    wetenschappers? De
    spermaproductie van westerse
    mannen is immens teruggevallen:
    van 99 miljoen zaadcellen
    per milliliter in 1973 tot
    47,1 miljoen in 2011. Een afname
    van 52 procent.
    2 Is dit reden
    voor alarm?
    De Israëlische
    onderzoekers zelf menen van
    wel. In hun artikel wijzen zij
    naar eerder aangetroffen
    correlaties tussen spermahoeveelheid
    en onprettige
    zaken zoals teelbalkanker,
    algehele sterfelijkheid en
    onvruchtbaarheid. En wie zin
    heeft om apocalyptisch te denken,
    hoeft alleen maar de huidige
    trendlijn door te trekken
    naar een dreigend nulpunt.
    ‘Ik wil waken voor alarmisme’,
    zegt Repping echter. ‘Ten eerste
    gaan de onderzoekers uit
    van een lineaire daling van
    1,4 procent per jaar. Maar dat
    is een aanname. Het kan net
    zo goed zijn dat we te maken
    hebben met een fluctuerende
    grafiek. Ten tweede is niet
    zeker of de meetmethoden nu
    gelijk zijn aan die van veertig
    jaar geleden. Ten slotte zijn de
    consequenties voorlopig minimaal.
    Een 50 procent afname
    in sperma heeft beduidend
    minder gevolgen voor de menselijke
    vruchtbaarheid dan de
    vraag of een vrouw 38 of 35
    jaar oud is. Uiteindelijk hoeft
    natuurlijk maar één zaadcel
    van alle miljoenen de eicel te
    bevruchten.’
    3 Wat veroorzaakt
    de vermeende
    daling?
    Vermoedelijk is er niet sprake
    van één doorslaggevende
    factor, of je zou het ‘de 21eeeuwse
    levensstijl’ moeten
    noemen. Overgewicht, roken,
    alcohol, slaapgebrek, stress,
    ondergewicht, gebrek aan
    lichaamsbeweging, overmatige
    lichaamsbeweging, zittend
    werk, een laptop op
    schoot, een telefoon in je
    broekzak, gebruik van anabole
    steroïden, contact met giftige
    chemicaliën – voor al die factoren
    bestaat minstens één
    onderzoek dat een correlatie
    vaststelt met verminderde
    spermaproductie. Het zijn de
    gezondheidsvoorschriften die
    je zo vaak tegenkomt, dat elke
    man ze moeiteloos weet op te
    dreunen – maar niet opvolgt,
    met alle gevolgen van dien.
    ‘Er bestaat helaas geen
    medische behandeling die de
    spermakwaliteit verbetert. Het
    gevolg is een wrange situatie:
    wanneer mannen met heel
    slecht sperma kampen, gaan
    we een invasieve behandeling
    bij hun vrouw uitvoeren’, zegt
    Repping, doelend op in-vitro
    fertilisatie (ivf), waarbij in het
    lab een zaadcel en eicel bij elkaar
    worden gebracht om daarna
    teruggeplaatst te worden in
    de baarmoeder. ‘Daarom zou ik
    veel mannen willen oproepen
    verantwoordelijkheid te nemen
    voor hun aandeel in de voortplanting:
    leef gezond en begin
    vooral op tijd aan kinderen.’ De
    hoogleraar heeft in elk geval
    recht van spreken: hij is zelf
    vader van drie kinderen.
    4 Ligt het alleen aan
    ongezond
    levende mannen?
    Nee, stelt toxicoloog Majorie
    van Duursen van de Universiteit
    Utrecht. ‘Bekend is dat
    er honderden chemicaliën
    bestaan met een xeno-oestrogeen
    effect. Dat wil zeggen dat
    ons lichaam ze herkent en gebruikt
    als waren het vrouwelijke
    hormonen. Het zorgwekkende
    is dat we dagelijks met
    dit soort stofjes in aanraking
    komen. Het betreft bijvoorbeeld
    de zacht makende of
    hard makende chemicaliën in
    plastics, of de stofjes die zalfjes
    optimaal smeerbaar maken.’
    Eén zo’n stofje, bisphenol A
    (BPA), leidde in experimenten
    zelfs tot meer vrouwelijke fysieke
    kenmerken bij mannelijke
    zebravisjes. ‘Lang is gedacht dat
    dergelijke stofjes bij een zwangere
    vrouw de foetus niet zouden
    bereiken, dat de placenta
    ze er wel uit zou filteren, maar
    we hebben deze chemicaliën
    inmiddels teruggevonden in
    menselijk navelstrengbloed’,
    vertelt Van Duursen. Met andere
    woorden: jongens worden al
    in de baarmoeder blootgesteld
    aan stoffen die de hormoonhuishouding
    verstoren. Van
    Duursen: ‘Dat kan permanente
    effecten hebben op hun latere
    spermaproductie, ongeacht
    hun toekomstige levensstijl.’
    5 Leidt minder
    sperma tot minder
    goede genen?
    Stel je twee hardloopwedstrijden
    voor. Aan de ene race
    doen 100.000 willekeurige
    atleten mee. Aan de andere
    wedstrijd 1000. De kans dat de
    winnaar van de eerste race
    sneller is dan de winnaar van
    de tweede race is aanzienlijk.
    Vertalen we dit naar de voortplantingsrace
    tussen zaadcellen
    op weg naar de eicel, dan
    geldt ook het volgende: hoe
    minder zaadcellen we produceren,
    hoe minder snel de uiteindelijke
    kampioen zal zijn.
    Maar is dat ook relevant voor
    de kwaliteit van het nageslacht?
    Brengt een objectief
    ‘betere’ zaadcel, gekenmerkt
    door bijvoorbeeld een actief
    bewegingspatroon en een
    krachtige zweepstaart, ook
    ‘betere’ genen met zich mee,
    die zorgen voor bijvoorbeeld
    meer symmetrie, een sterk
    immuunsysteem, een hoog IQ,
    en minder afwijkingen?
    Waarschijnlijk niet. Onderzoek
    aan de Stanford University
    laat zien dat elke zaadcel een
    willekeurige combinatie mee
    draagt van erfelijke eigenschappen
    ontleend aan de
    chromosomen van de ouders.
    De inhoud van de ‘vracht’ staat
    los van de kwaliteiten van de
    ‘vervoerder’. ‘Bovendien is het
    idee dat we allemaal kampioenen
    zijn van een race een
    sprookje’, zegt Repping. ‘Het is
    niet zo dat iedere keer de snelste
    en allerbeste zaadcel wint.
    Bevruchting wordt voor een
    heel groot deel bepaald door
    toeval.’ Laat dat in deze donkere
    tijden een troost zijn: zolang
    er bevruchting plaatsvindt, is
    het goed. En als daar in de toekomst
    wat meer seks met jongere
    partners voor nodig is, dan
    zij dat maar zo.

    Period26 Feb 2018

    Media contributions

    1

    Media contributions

    • TitleMoeten we ons zorgen maken over ons sperma
      Country/TerritoryNetherlands
      Date26/02/18
      DescriptionSinds de jaren negentig
      hebben tal van tegenstrijdige
      onderzoeksresultaten
      twijfel
      gezaaid over de
      dalende spermaproductie
      in het Westen.
      Nieuw Israëlisch
      onderzoek lijkt voor
      het eerst een krachtig
      antwoord te geven op
      die vraag.
      Door Sebastiaan van de Water
      1 Is het werkelijk
      zo slecht gesteld
      met de spermaproductie?
      We weten het niet zeker, was
      lange tijd het enige wetenschappelijk
      verantwoorde antwoord.
      In 1992 concludeerde
      een Deens onderzoek dat de
      concentratie zaadcellen per
      milliliter ejaculatie fors was
      gedaald: van 113 miljoen in
      1940 tot 66 miljoen in 1990.
      Een ander Deens onderzoek,
      dat de spermaconcentratie
      van militaire rekruten vijftien
      jaar lang in kaart bracht, trof
      echter helemaal geen spermadaling
      aan. Ook onderzoeken
      uit Finland, Frankrijk, Italië en
      de VS spraken elkaar vooral
      tegen.
      Recent is door een groep in
      Jeruzalem een grondige metaanalyse
      uitgevoerd. Zij brachten
      de gegevens van 181 verschillende
      onderzoeken bij
      elkaar. ‘Dit is het grootste
      overzichtsartikel tot dusver’,
      erkent Sjoerd Repping, hoogleraar
      humane voortplantingsbiologie
      bij het Academisch
      Medisch Centrum (AMC) in
      Amsterdam. ‘Er zitten best
      wat haken en ogen aan, maar
      over het algemeen zijn de
      bevindingen aannemelijk.’
      Hoofdconclusie van de Israëlische
      wetenschappers? De
      spermaproductie van westerse
      mannen is immens teruggevallen:
      van 99 miljoen zaadcellen
      per milliliter in 1973 tot
      47,1 miljoen in 2011. Een afname
      van 52 procent.
      2 Is dit reden
      voor alarm?
      De Israëlische
      onderzoekers zelf menen van
      wel. In hun artikel wijzen zij
      naar eerder aangetroffen
      correlaties tussen spermahoeveelheid
      en onprettige
      zaken zoals teelbalkanker,
      algehele sterfelijkheid en
      onvruchtbaarheid. En wie zin
      heeft om apocalyptisch te denken,
      hoeft alleen maar de huidige
      trendlijn door te trekken
      naar een dreigend nulpunt.
      ‘Ik wil waken voor alarmisme’,
      zegt Repping echter. ‘Ten eerste
      gaan de onderzoekers uit
      van een lineaire daling van
      1,4 procent per jaar. Maar dat
      is een aanname. Het kan net
      zo goed zijn dat we te maken
      hebben met een fluctuerende
      grafiek. Ten tweede is niet
      zeker of de meetmethoden nu
      gelijk zijn aan die van veertig
      jaar geleden. Ten slotte zijn de
      consequenties voorlopig minimaal.
      Een 50 procent afname
      in sperma heeft beduidend
      minder gevolgen voor de menselijke
      vruchtbaarheid dan de
      vraag of een vrouw 38 of 35
      jaar oud is. Uiteindelijk hoeft
      natuurlijk maar één zaadcel
      van alle miljoenen de eicel te
      bevruchten.’
      3 Wat veroorzaakt
      de vermeende
      daling?
      Vermoedelijk is er niet sprake
      van één doorslaggevende
      factor, of je zou het ‘de 21eeeuwse
      levensstijl’ moeten
      noemen. Overgewicht, roken,
      alcohol, slaapgebrek, stress,
      ondergewicht, gebrek aan
      lichaamsbeweging, overmatige
      lichaamsbeweging, zittend
      werk, een laptop op
      schoot, een telefoon in je
      broekzak, gebruik van anabole
      steroïden, contact met giftige
      chemicaliën – voor al die factoren
      bestaat minstens één
      onderzoek dat een correlatie
      vaststelt met verminderde
      spermaproductie. Het zijn de
      gezondheidsvoorschriften die
      je zo vaak tegenkomt, dat elke
      man ze moeiteloos weet op te
      dreunen – maar niet opvolgt,
      met alle gevolgen van dien.
      ‘Er bestaat helaas geen
      medische behandeling die de
      spermakwaliteit verbetert. Het
      gevolg is een wrange situatie:
      wanneer mannen met heel
      slecht sperma kampen, gaan
      we een invasieve behandeling
      bij hun vrouw uitvoeren’, zegt
      Repping, doelend op in-vitro
      fertilisatie (ivf), waarbij in het
      lab een zaadcel en eicel bij elkaar
      worden gebracht om daarna
      teruggeplaatst te worden in
      de baarmoeder. ‘Daarom zou ik
      veel mannen willen oproepen
      verantwoordelijkheid te nemen
      voor hun aandeel in de voortplanting:
      leef gezond en begin
      vooral op tijd aan kinderen.’ De
      hoogleraar heeft in elk geval
      recht van spreken: hij is zelf
      vader van drie kinderen.
      4 Ligt het alleen aan
      ongezond
      levende mannen?
      Nee, stelt toxicoloog Majorie
      van Duursen van de Universiteit
      Utrecht. ‘Bekend is dat
      er honderden chemicaliën
      bestaan met een xeno-oestrogeen
      effect. Dat wil zeggen dat
      ons lichaam ze herkent en gebruikt
      als waren het vrouwelijke
      hormonen. Het zorgwekkende
      is dat we dagelijks met
      dit soort stofjes in aanraking
      komen. Het betreft bijvoorbeeld
      de zacht makende of
      hard makende chemicaliën in
      plastics, of de stofjes die zalfjes
      optimaal smeerbaar maken.’
      Eén zo’n stofje, bisphenol A
      (BPA), leidde in experimenten
      zelfs tot meer vrouwelijke fysieke
      kenmerken bij mannelijke
      zebravisjes. ‘Lang is gedacht dat
      dergelijke stofjes bij een zwangere
      vrouw de foetus niet zouden
      bereiken, dat de placenta
      ze er wel uit zou filteren, maar
      we hebben deze chemicaliën
      inmiddels teruggevonden in
      menselijk navelstrengbloed’,
      vertelt Van Duursen. Met andere
      woorden: jongens worden al
      in de baarmoeder blootgesteld
      aan stoffen die de hormoonhuishouding
      verstoren. Van
      Duursen: ‘Dat kan permanente
      effecten hebben op hun latere
      spermaproductie, ongeacht
      hun toekomstige levensstijl.’
      5 Leidt minder
      sperma tot minder
      goede genen?
      Stel je twee hardloopwedstrijden
      voor. Aan de ene race
      doen 100.000 willekeurige
      atleten mee. Aan de andere
      wedstrijd 1000. De kans dat de
      winnaar van de eerste race
      sneller is dan de winnaar van
      de tweede race is aanzienlijk.
      Vertalen we dit naar de voortplantingsrace
      tussen zaadcellen
      op weg naar de eicel, dan
      geldt ook het volgende: hoe
      minder zaadcellen we produceren,
      hoe minder snel de uiteindelijke
      kampioen zal zijn.
      Maar is dat ook relevant voor
      de kwaliteit van het nageslacht?
      Brengt een objectief
      ‘betere’ zaadcel, gekenmerkt
      door bijvoorbeeld een actief
      bewegingspatroon en een
      krachtige zweepstaart, ook
      ‘betere’ genen met zich mee,
      die zorgen voor bijvoorbeeld
      meer symmetrie, een sterk
      immuunsysteem, een hoog IQ,
      en minder afwijkingen?
      Waarschijnlijk niet. Onderzoek
      aan de Stanford University
      laat zien dat elke zaadcel een
      willekeurige combinatie mee
      draagt van erfelijke eigenschappen
      ontleend aan de
      chromosomen van de ouders.
      De inhoud van de ‘vracht’ staat
      los van de kwaliteiten van de
      ‘vervoerder’. ‘Bovendien is het
      idee dat we allemaal kampioenen
      zijn van een race een
      sprookje’, zegt Repping. ‘Het is
      niet zo dat iedere keer de snelste
      en allerbeste zaadcel wint.
      Bevruchting wordt voor een
      heel groot deel bepaald door
      toeval.’ Laat dat in deze donkere
      tijden een troost zijn: zolang
      er bevruchting plaatsvindt, is
      het goed. En als daar in de toekomst
      wat meer seks met jongere
      partners voor nodig is, dan
      zij dat maar zo.
      PersonsM.B.M. van Duursen